… van het leven

Verschopt en uitgesloten

Het hoofdzakelijk door landbouw bepaalde leven in de Indiase deelstaat Andhra Pradesh heeft maar weinig gemeen met het leven in Midden-Europa. Zo’n 80 miljoen mensen wonen daar op een oppervlak dat iets groter is dan de voormalige Bondsrepubliek Duitsland. In de buurt van de grote rivieren Godavari en Krishna verdringen zich zo’n 500 mensen op een vierkante kilometer (Duitsland: ca. 230). Het klimaat is tropisch – het kwik in de vlakkere delen van het land zakt maar zelden onder de 20° Celsius. Het is er haast altijd erg benauwd.

Ongeveer driekwart van de bevolking van de deelstaat woont op het platteland. En bijna twee derde leeft van een niet bijster goed functionerende landbouw. Slechts circa 60 van de 100 bewoners kunnen lezen en schrijven (Duitsland: 99 van 100). En daarmee ligt het jaarlijkse bruto nationaal product in de deelstaat bij ongeveer de helft van wat de stad Hamburg met zijn 1,8 miljoen inwoners verdient.

Veel mensen wonen in rudimentaire behuizingen van hout, takken, leem, palmbladeren of plastic zeil. Juist in de moessonmaanden tussen juni en december worden daarom steeds weer complete regio’s vernield en tienduizenden mensen dakloos. De wegen langs de zeer beperkt aangelegde snelwegen zijn in een miserabele toestand. Water en stroom bereiken maar een deel van de stadsbevolking en nog minder personen op het platteland.

Zo’n 89 procent van de bewoners in Andhra Pradesh is hindoe, 9 procent is moslim, christenen vormen een kleine minderheid. Het betreft daarbij voornamelijk de door de hindoeïstische gemeenschap sterk uitgesloten dalits (onaanrakbaren) en de Adivasi (oerbewoners).